Gentherapie en RNA-therapie: wat is het?
Misschien heb je al wel eens gehoord over gentherapie. Maar wat is dat precies? Wat kun je ermee? En wat is RNA-therapie nou?
Wat is het?
Erfelijke ziektes ontstaan door een fout in een gen. Gentherapie is een behandeling waarbij gezorgd kan worden dat het gen weer werkt. Bijvoorbeeld door zo’n fout in een gen te repareren. Door gentherapie kunnen de klachten van een erfelijke ziekte minder worden of de ziekte zelfs genezen. Gentherapie kan ook worden gebruikt voor de behandeling van ziektes die ontstaan door foutjes die tijdens het leven ontstaan, zoals kanker.
Er zijn ook behandelingen waarbij niet de fout in het gen zelf hersteld wordt. Het gevolg van die fout wordt op een andere manier aangepakt. Dit heet RNA-therapie.
Voor een paar erfelijke ziektes zijn inmiddels al behandelingen ontwikkeld. Maar lang niet alles is al mogelijk; er wordt dus nog veel onderzoek naar gedaan.
Hoe kan een foutje in het erfelijke materiaal voor een ziekte zorgen?
Je lichaam bestaat uit cellen. In je cellen zit je DNA. Dat DNA heeft een code. Die code gebruikt je lichaam om allerlei eiwitten te maken. Eiwitten zijn een soort stoffen. Die eiwitten hebben een taak in je lichaam. Bijvoorbeeld je spieren te helpen om een beweging te maken.
Je lichaam heeft veel taken. Om het makkelijk te houden, zeggen we dat voor iedere taak één eiwit nodig is. Voor het maken van ieder eiwit is er een stukje DNA met een code. Het stukje DNA met de code voor één eiwit heet een gen.
Je cellen moeten de hele tijd verschillende eiwitten maken. Die hebben ze nodig om goed te kunnen werken. Het DNA zit in het deel van de cel dat we de kern noemen. Het DNA kan de kern niet uit. Hoe kan dan het eiwit gemaakt worden dat de cel nodig heeft? Daar heeft de cel iets op gevonden. Van het DNA wordt een kopie gemaakt. Die kopie heet RNA. RNA kan wel de kern uit. Het RNA wordt in de cel als voorbeeld gebruikt om het juiste eiwit te maken.
Als de code voor een taak goed is, dan wordt daarvan het goede eiwit gemaakt. Maar als er een foutje in het DNA van het gen zit, dan zit die fout óók in het RNA. Want RNA is een kopie van het DNA. Dan kan bijvoorbeeld een verkeerd eiwit gemaakt worden. Dan kan die zijn taak niet meer goed doen. En dat kan ervoor zorgen dat een orgaan niet meer goed werkt.
Hoe kan gentherapie zorgen dat het gen weer werkt?
Bij gentherapie wordt er iets gedaan zodat een gen in het lichaam weer werkt. Dat kan op verschillende manieren. We noemen er hier een paar:
Let op: naar veel vormen van gentherapie wordt nog onderzoek gedaan. Het wil nog niet zeggen dat de vormen die hieronder staan allemaal al kunnen.
- Een heel gen toevoegen
Hierbij krijgt iemand een extra exemplaar van een gen. Het gen met de fout blijft zitten. Als het gen met de fout een eiwit helemaal niet maakt (of veel te weinig) dan kan het extra gen ervoor zorgen dat er weer genoeg daarvan gemaakt wordt. Het lichaam kan die taak dan weer goed uitvoeren.
Tot nu toe is er vaak gentherapie ontwikkeld voor ziektes waarbij iemand een gen extra krijgt. Kijk bij Gentherapie en RNA-therapie: wat is beschikbaar?
- Een fout in een gen repareren
Dit kan bijvoorbeeld met de CRISPR-Cas9 (‘knip en plak’) methode. Daarbij wordt de fout in de code van het gen eruit geknipt. Op die plaats wordt de juiste code er weer ingezet. Zo is de fout in het gen gerepareerd.
Dit kan worden gebruikt bij de behandeling van verschillende erfelijke ziektes, bijvoorbeeld sikkelcelziekte.
- Een gen met een fout stoppen
Deze vorm zorgt ervoor dat een gen met een fout helemaal niet meer door de cel gebruikt wordt. Deze behandeling kan helpen bij ziektes die ontstaan doordat een gen anders werkt dan normaal. Als het gen zijn werk niet meer kan doen, kunnen de klachten over gaan.
Deze soort gentherapie zou gebruikt kunnen worden om aandoeningen te behandelen, zoals de ziekte van Huntington en amyloïdose.
Voorbeelden van hoe een gen aangepast kan worden
CRISPR-Cas9
CRISPR-Cas9 is een techniek om verschillende fouten in genen te repareren. Onderzoekers hebben die manier ontdekt in bacteriën. CRISPR-Cas9 is een soort ‘gereedschapskist’. Daarin zit ‘gereedschap’ dat de fout in het gen kan opzoeken. En daarna komt een soort ‘schaartje’ uit de gereedschapskist in actie. Dat schaartje kan het DNA op de plek van de fout doorknippen. In de gereedschapskist zit ook een voorbeeld van de goede DNA-code. Die kan de cel zelf gebruiken om het foutje te repareren.
Deze techniek is gebruikt in een onderzoek om gentherapie te ontwikkelen voor hereditair angio-oedeem. Tien mensen met deze aandoening zijn hiermee behandeld. Daar zijn ook enkele mensen uit Nederland bij. Je leest er meer over op de website van het Amsterdam UMC.
CRISPR Prime Editing
CRISPR Prime Editing lijkt op CRISPR-Cas9. Ook met deze techniek kunnen verschillende fouten in genen gerepareerd worden. De gereedschapskist gaat naar de plek waar de fout hersteld moet worden en knipt het DNA door. In de CRISPR Prime Editing zit een voorbeeld met de juiste code.
Het verschil met CRISPR-Cas9 is dat er in CRISPR Prime Editing een extra stof zit. Dat is een stof die helpt bij de reparatie. Met het goede voorbeeld kan die stof zelf de juiste code in het DNA zetten. Bij CRISPR-Cas9 moet dat door de cel zelf gedaan worden.
Base Editing
Base Editing is een techniek waarmee veranderingen in de code van het DNA zelf gerepareerd kunnen worden. De code van het DNA bestaat uit bouwstenen. Deze bouwstenen heten basen. Als er een verkeerde base in het DNA zit, kan met base editing de foute base worden veranderd in de goede base. Base Editing lijkt op CRISPR-Cas9, maar bij Base Editing hoeft het DNA niet doorgeknipt te worden.
In het PSIDER-Heart project wordt onderzoek gedaan om met CRISPR Prime Editing of Base Editing gentherapie te ontwikkelen voor bepaalde erfelijke ziektes van de hartspier.
CAR-T-celtherapie
CAR-T-celtherapie is een behandeling die kan werken tegen kanker. Voor deze therapie worden iemands afweercellen uit het lichaam gehaald. Deze cellen vallen normaal ziekteverwekkers zoals bacteriën aan. We noemen dit T-cellen. In het laboratorium krijgen deze cellen een extra stukje DNA. Dat zorgt ervoor dat er aan de buitenkant van deze cellen een soort ‘voelspriet’ komt te zitten. Die voelspriet herkent heel specifiek kankercellen. Daardoor kunnen de T-cellen die cellen gaan doden.
RNA-therapie: behandeling die het gen niet verandert
Bij RNA-therapie wordt het RNA veranderd of aangepast zodat het gevolg van het foutje in het gen ongedaan gemaakt wordt.
Voorbeelden van RNA-therapie
Let op: naar veel vormen van RNA-therapie wordt nog onderzoek gedaan. Het wil nog niet zeggen dat de vormen die hieronder staan al beschikbaar zijn.
Antisense therapie
Bij antisense therapie gaan stukjes DNA die in het laboratorium gemaakt zijn aan RNA met een fout zitten. Door deze verandering kan bijvoorbeeld het verkeerde eiwit niet gemaakt worden.
RNA-interferentie
Bij RNA-interferentie kunnen stukjes RNA die in het laboratorium gemaakt zijn de cel in. Die stukjes gaan aan RNA gaan zitten. Dit RNA wordt daarna door de cel opgeruimd. Dan kan dit RNA niet als voorbeeld gebruikt worden voor een bepaald eiwit. Zo kun je voorkomen dat er een verkeerd eiwit ontstaat.
AMT-130 is hier een voorbeeld van. Daar wordt onderzoek naar gedaan voor de behandeling van de ziekte van Huntington. Bij deze ziekte wordt RNA gemaakt met een fout. Daarmee krijg je een schadelijk eiwit. Bij AMT-130 gaat er een stukje RNA dat in het laboratorium gemaakt is aan het RNA met de fout zitten. Daardoor ontstaat er minder van het schadelijke eiwit. Hiermee kan het mogelijk langer duren voordat iemand de klachten van de ziekte krijgt.
miRNA
Dit zijn kleine stukjes RNA die in het laboratorium gemaakt zijn. Die stukjes kunnen aan RNA in een cel vast gaan zitten. Dan kunnen die stukjes er bijvoorbeeld voor zorgen dat er meer of minder van een eiwit (of van meerdere eiwitten) wordt gemaakt.
Aptamers
Dit zijn kleine stukjes RNA uit het laboratorium die aan een bepaald eiwit in een cel vast kunnen gaan zitten. Daardoor kan de werking daarvan bijvoorbeeld worden gestopt.
Binnen of buiten het lichaam
Onderzoekers kunnen met gentherapie of RNA-therapie een behandeling maken die in het lichaam zelf gedaan wordt. Dit heet in vivo.
Maar onderzoekers kunnen ook eerst cellen uit het lichaam halen. Daarna repareren ze in het laboratorium de fout in deze cellen. Daarna krijgt iemand de gerepareerde cellen terug. Dit heet ex vivo. Dit kan op deze manier gebeuren bij gentherapie en bij CAR-T-celtherapie.
In een verpakking
Gentherapie of RNA-therapie kan niet zomaar de cel in, want om elke cel zit een wand. Daarom moet het vaak in een soort ‘verpakking’ die wél door die wand heen kan. Deze verpakking heet ook wel een vector.
Er zijn verschillende soorten verpakkingen. We noemen er hier een paar:
- virussen waarvan je meestal niet ziek kunt worden. Virussen kunnen van nature makkelijk een cel en/of de kern van de cel in.
- vetbolletjes.
- heel kleine deeltjes (nanodeeltjes).
- polymeren. Dat is een verpakking gemaakt van steeds dezelfde stoffen.
Zonder verpakking
Er zijn ook manieren om de behandeling de cel in te krijgen zonder verpakking. Dat kan bijvoorbeeld door tijdelijke gaatjes te maken in de wand van de cel. Dit kan met elektrische stroompjes. Dat heet elektroporatie. Door die gaatjes kan de behandeling de cel in. Een andere manier is door het met een soort ‘pistool’ de cel in te spuiten. Dit heet biolistiek.
Meer informatie
En kijk in het dossier Gentherapie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, op de website van de Nederlandse Vereniging voor Gen en Celtherapie en op de website van website van de Helpdesk Regeneratieve Geneeskunde van de Universiteit van Utrecht. Je kunt ook informatie vinden over gentherapie op de website van Stichting PLN.
Heb je een vraag? erfolijn
erfocentrum.nl (subject: Vraag, body: Mail%20ons%20uw%20vraag%3B%20binnen%205%20werkdagen%20ontvangt%20u%20een%20antwoord.%20%0A%0AMijn%20vraag%20is%3A%20%0A) (Mail) ons.
Updatedatum: 1 april 2026
